HarSMedia

Visit Ronald Heiloo @ theyounglions.nl, and go listen to the evolving Ronald Heiloo Bandcamp playlist.

8 min read ūü§ď

[english]

RONALD HEILOO (1959-2024) ~ Young Lion, Dutch Master

may 05, 2024


¬ę ... the world doesn't own me ... ¬Ľ

In de middag van zaterdag 4 mei 2024, bij het uitvaartcentrum in de Fred Roeskestraat in Amsterdam, tegenover de Gerrit Rietveld Academie, hebben we in kleine kring afscheid genomen van Ronald Heiloo, die had besloten dat leven niet langer een optie was en in de week van 20 april weloverwogen voor de àndere kant koos.

Vanaf de vroege dagen van ULTRA, deelden wij een visie op wat 'muziek' voor ons betekende en wat 'onze muziek' zou moeten zijn.
Ik schrijf bewust: het was een visie. Dat moet je letterlijk nemen: het was een kijk. Dus onverwoordbaar. Wat we nou precies bedoelden, bleef altijd onuitgesproken. Maar we voelden allebei steeds precies wat of dat het was.

Als twee puzzelstukjes die samenvielen, random, maar heel toevallig in een combinatie die méér kon, méér wist en méér wilde dan de simpele som van dat ene stukje ((You)) en het andere ((Me)). Het ging er vaak hard aan toe, en razendsnel, maar de combine leek te garanderen dat het span noch ten rechtse noch ten linkse in de berm belandde. Zo was het en zo ging het, om te beginnen een aantal eerste turbulente, tumultueus opmerkelijke jaren lang, zo van ergens in 1979 tot rond 1984, ruim veertig jaar geleden. Wij raasden door ons wereldje als vrije elementaire deeltjes door een bellenvat, tot in de puntjes geladen op pad naar protonen, ionen, naar rustende of desnoods dwalende kernen, om die dan vol te raken en te splitsen, te muteren.

Makkelijk was het niet. De lat lag h√©√©l hoog. En het mag achteraf een godswonder heten dat sommige 'projecten' naar—nou ja, zeg, redelijke en wederzijdse—tevredenheid (met een beetje mokken) ook werden √†fgerond en—nou ja, zeg maar—'publiek' gemaakt, en dat niet √†lles ten slotte weer in de kast verdween, omdat het altijd toch n√≥g beter kon.

...

Het gestrenge en toch speelse You & Me, onze Bouquetreeks (de Dokterromannetjes), de Zes Geiten, het 'Amphibious Records' platenlabeltje, dat we samen met Tim Benjamin op poten zetten (in die jaren steeds weer onze creatieve steunpilaar, aanspreekpunt, mee-speler en mee-denker), hoewel we geen van drie√ęn van 'business' ook maar enige kaas hadden gegeten, met daarop om te beginnen een reeks van drie ongewone singeltjes, en de Commuters, een tiental korte en puntige, met veel zweet en tranen getwee√ęn noot-voor-noot gewrochte liedjes, in hun finale vorm vertolkt door enkel Ronald op de akoestische piano, met zang van Dagmar Krause.

Commuters verscheen in 1983, een jaar dat achteraf een keerpunt in de geschiedenis van een generatie bleek te zijn. We stortten ons (als altijd no-budget ) op Fictieve Groepen, 'pop fictions', conceptueel, artistiek en muzikaal zó grenzeloos ambitieus, dat het project wel moest stranden, ooit, ergens, 'ter land ter zee of in de lucht'. Maar het was vooral toch het trieste gegeven dat Ronald in die tijd (voor het eerst) als het ware 'uiteen viel', ook fysiek, dat de 'pop fictions' de nekslag gaf. Die bleven dan ook voor altijd onvoltooid.

De Hollandse Meesters daarna, dat werd een plan waar telkens weer iets tussen kwam. Maar dat toch meer dan twintig jaar lang, tot ruim in het nieuwe millennium, nooit √©cht van tafel werd geveegd: Orgel en Gitaar, Ze Danste in een Hoepelrok, Meneer Pastoor en nog meer hilarisch bizarre idee√ęn, tot aan die voor een Hollandse Meesters adventurespel toe, idee√ęn die, als in generatio spontanea, autogenese, maar bleven opborrelen als we af en toe weer eens een dag of een avond bij Ronald thuis speelden, dronken, dachten en praatten. Of tijdens een handjevol van de heel enkele keren dat Ronald zich buiten Nederland waagde, bijvoorbeeld in de tweede helft van de jaren 1980, toen we samen in het buitenland op 'studiereis' gingen en daar tentoonstellingen over muziek en geluid in hedendaagse kunst be- en onderzochten. Of in 1998. Toen trokken we als een Leverk√ľhniaanse tweeling naar de allereerste Stockhausense zomerschool in het Duitse K√ľrten. Of, weer wat jaren later, in de motregen urenlang kris-krassend tussen de graven op P√®re Lachaise...
Ach ja, het is allemaal enkel nog een kwestie van een paar streepjes tijd, zo leken we steeds te denken, het kan nog wel even wachten. Want al wat wíj bedachten was tijdloos, wars van trend of modegril.

Het moest zo zijn.

Iörmungandur werd het laatste ding dat we daadwerkelijk afrondden, veertig jaar geleden, in de herfst van 1984. Het was een verzoek, opdracht, commissie, hoe noem je zo iets, voor een uitzending op radio GOT, een Amsterdamse FM piratenzender. 'Confrontations', heette het programma, en onze één uur lange compositie/opname werd door het Staalplaat label in een heel kleine oplage ook uitgebracht op cassette, verpakt in een boekgrote kartonnen doos, alle exemplaren eigenhandig door Tim Benjamin van een groen slangenschubbenhuidpatroon voorzien. We gingen er ook nog als trio mee op tour, en we deden onze 'Iörmungandur' in jongerencentra in provincieplaatsjes, uren lang in het NL-Centrum op de Amsterdamse Rozengracht, en in de Fabriek in Eindhoven.

Iörmungandur, De Fabriek, Eindhoven

Iörmungandur was een minimalistisch stuk, een ritueel, een ritmische drone, eigenlijk een soort heimachine, die in haar abstracte limiet nooit begon en ook nooit aan d'r einde kwam. Het was een bezwering, een uitputtingsslag, een eindeloos durende climax, een hemelbestorming.

Ter zee, ter land en in de lucht.

Bij de cassette in de doos zat een dun boekje, een pamflet in A5-formaat, een drietal dubbelzijdig gefotokopieerde A4-tjes die met een nietje bij elkaar werden gehouden. Op de cover ook weer dat groene slangenschubbenhuidpatroon van Tim, en een citaat uit een vergeeld schoolboek 'Griekse Mythen en Sagen' dat ooit van mijn vader was. Of misschien was het wel 'Van Goden en Helden', ik weet het niet meer.

"Iörmungandur was een geweldige slang", stond er te lezen, "in de wereldzee geworpen, waar zij vergiftigde dampen uitblies, die weer het aanzijn schonken aan talloze slangenmonsters. Zij was zo enorm groot dat zij de hele aarde omspande en zich toch nog in haar staart kon bijten."

Dat mythische beest, die massieve en onvatbare slang die de wereld omspande, zo zag ik dat, dat was de kunst, het was de muziek die als een pars-pro-toto het leven verbeeldde, en de in mathematisch gelijke intervallen verdeelde bewegingen van die Midgardslang, dat was de tijd die verstreek met de onverbiddelijke slagen van de klok. En elke keer dat wij de Iörmungandur speelden, worstelden wij met Muziek (jazeker, met een hoofdletter) en met het leven, en streden wij om die Tijd te temmen, te beteugelen.

Het leeuwendeel van het boekje bij de cassette werd gevormd door een tekst, geschreven door Ronald. Voor wie het wilde zien lag er onder al haar beeldende eenvoud een donkerdiepe dubbele bodem. Het was een credo. Het was Ronalds geloofbelijdenis, en is mij als zodanig ook altijd bijgebleven.

Hier volgt de, ongeveer, tweede helft van de tekst. (Een pdf-kopie van het boekje maakt deel uit van de digitale download van Iörmungandur op Bandcamp).



"I√ĖRMUNGANDUR", geschreven door Ronald Heiloo.

...

¬ę [...]
Daar zit je dan, in de schaduw. Zo-even was dat anders, toen liep je in de zon. Je kijkt op naar de hemel en ziet dat de tijd niet heeft stilgestaan. Je hoofd zakt weer tussen je knie√ęn. Opnieuw die grassprietjes. Maar ineens valt het je op dat ze niet rechtopstaan zoals dat hoort, maar dat ze liggen, platgedrukt. Vol verwachting sta je op. En ja hoor, overal, voor zover je kunt zien, is het gras om haar heen platgedrukt. Zou zij zich, zonder dat jij het in de gaten hebt gehad, een eindje hebben opgeschoven? Je kunt het nauwlijks geloven. Als het inderdaad zo is dat ze zich een stukje heeft verplaatst, moet ze het nog een keer kunnen doen. Deze gedachte stemt hoopvol maar bang tegelijk en je deinst een behoorlijk aantal meters achteruit. Nu moet en zal je nieuwsgierigheid bevredigd worden. Je zet je wandeling voort en bent je blaren vergeten. Waarheen leidt de weg? durf je je hardop af te vragen nu je je eenmaal op een veilige afstand waant. Als je wat van haar wilt, zul je aardig voor haar moeten zijn, begrijp je en met rasse schreden ga je voorwaarts. Je ontdekt je stem. Te ver van haar verwijderd om haar aan te kunnen raken laat je je armen gestrekt in de maat langs je lichaam zwaaien. Je zingt. Zoete melodie√ęn weerkaatsen tegen haar romp. Alsof je een geliefde toespreekt maakt er zich een dronkenschap van je meester, die je over je hele lijf doet blozen. Je dicht haar grote schoonheid toe en je gelooft het zelf want het is net als met koorts, je moet ervan houden.
Zou ze op je liggen te wachten? Ze maakt geen aanstalten weg te gaan. Is dit een stille wenk? Zou ze de liefde met je willen bedrijven? Je kijkt opzij. Zou jij de liefde eigenlijk wel met haar willen bedrijven? Opwinding maakt plaats voor twijfel en voert je terug tot de werkelijkheid, die hard is. Je laatste verzen klonken al minder zeker en nu is je gezang in de keel gesmoord. Het vuur is gedoofd, is nooit aangewakkerd geweest. De liefde is uit, ze heeft nooit bestaan. Nooit heeft ze zich bewogen en nooit heb je haar kunnen bewegen, want je hebt er niets mee te maken.
Zoiets doet pijn.
Je snikt en laat je schouders zakken, je blik op oneindig, vertroebeld door tranen. Je hebt jezelf voor de gek lopen houden en nu heb je spijt als haren op je hoofd. Je trekt er één uit. Zouden er nog meer grijs zijn geworden? Langzaam word je wakker. Daarstraks liep je in de zon en nu sta je in de schaduw. Een aantal meters verderop moet je van de schrik een eind naar achteren zijn gedeinsd, want het gras is daar geplet en gaat er over in een spoor. Je draait je om en ziet waar je zojuist nog geweest bent. Langs het lichaam van het monster is het gras bezig zich te herstellen van je eindeloze mars. Weer draai je je om. Nog even en de cirkel is rond, besef je.
Je gaat zitten.
Liever wachten dan platgetreden paden te bewandelen.
[...] ¬Ľ

...

Ronald Heiloo, Amsterdam, 1984





Visit Ronald Heiloo @ theyounglions.nl, and go listen to the evolving Ronald Heiloo Bandcamp playlist.



[english]

RONALD HEILOO (1959-2024) ~ Young Lion, Dutch Master


In the afternoon of Saturday 4 May 2024, at the funeral home in Fred Roeskestraat in Amsterdam, opposite the Gerrit Rietveld Academy, we bid farewell to Ronald Heiloo, who had come to the conclusion that living no longer was an option. In the week of 20 April he broke on through, to the other side.

From the early days of ULTRA, we shared a vision of what 'music' meant to us and what 'our music' should be.
I write deliberately: it was a vision. You have to take that literally: it was a view. Not expressible in words. What exactly we meant always remained unspoken. But we both always unfailingly felt exactly what it was.

Like two pieces from a jigsaw puzzle that, though pretty much randomly stuck together, by chance made for a combine that could do more, knew more and was willing to do more than just being the straight sum of the one piece ((You)) and the other ((Me)). The going was often tough, and lightning fast, but some alchemy,some entanglement, seemed to guarantee that the span would not end up stranded in some ditch, not to the right and not to the left. So it was and so it went, at least the early handful of turbulent, tumultuously remarkable years, between 1979 and some time around 1984, more than forty years ago. We raced through our little world like free elementary particles in a bubble chamber, charged to the hilt on their way to protons, ions, and wandering nuclei, to hit, to mutate and split.

But, in Ringo's words, no, it don't come easy. The bar was set very high. And in retrospect, it must have been thanks to some heavenly miracle that some 'projects' were completed to - well, say, reasonable and mutual satisfaction (be it with a bit of sulking here and there) and - well, say - 'made public', and that not everything ended up being shelved because there always was—always—room for improvement.

...

The very stern yet playful You & Me, our Bouquet series (pulp fictions), the Six Goats, the 'Amphibious Records' record label, which we set up together with Tim Benjamin (in those years again and again our creative pillar, point of contact, co-player and co-thinker), even though none of us three had any knowledge of 'business', that kicked off with a series of three unusual 7 inches, and the Commuters, a dozen short and pointed, note-for-note songs crafted with a lot of sweat and tears, performed in their final form by just Ronald on the acoustic piano, with vocals by Dagmar Krause.

Commuters appeared in 1983, a year that in retrospect proved to be a turning point, not only in our personal histories, but in the history of a generation. We dedicated ourselves (heart and soul, but as always no-budget) into the Fictive Groups project, our 'pop fictions', conceptually, artistically and musically so boundlessly ambitious, that it was bound to run aground, sometime, somewhere, 'on land, at sea or in the air'. But above all, it was the sad fact that by then Ronald (for the first time) began to, as it were, 'fall apart' (also, and maybe mainly) physically, that dealt the 'pop fictions' the final blow. They remained unfinished forever.

Pop Fictions
At the time of the recordings sessions for our 'pop fictions', De Pijp, Amsterdam 1983.
(Photo by Ad van der Zee)

The Dutch Masters, that arose in the aftermath, became a plan that somehow always got thwarted. Still, for more than twenty years, well into the new millennium, it was never really taken off the table: Organ & Guitar, Hopping in a Hooped Skirt, Mister Pastor Father and more, more hilariously bizarre ideas, right down to detailed sketches for a Dutch Masters adventure game, ideas that, as if in generatio spontanea, autogenesis, kept bubbling up as we spent the occasional day or evening at Ronald's house playing, drinking, thinking and talking, or on some of the very few occasions when Ronald ventured outside the Netherlands, for instance in the second half of the 1980s, when we occasionally went abroad to visit and study exhibitions on music & sound in contemporary art; in 1998, when, like sort of Leverk√ľhnian twins we dived into the very first Stockhausen summer school in K√ľrten, Germany, or, some years later again, when we wandered criss-cross for hours in the drizzle between the graves of P√®re Lachaise.
Oh well, it's all just a matter of some time, we seemed to think, because what we came up with was timeless, averse to trend or fad.

It had to be that way.

Iörmungandur then became the last thing we actually completed, 40 years ago, in the autumn of 1984. It was a request, assignment, commission, whatchamacallit, for a broadcast on radio GOT, an Amsterdam FM pirate station. 'Confrontations', the programme was called, and our one-hour-long composition/recording was also released by the Staalplaat label in a very small edition on cassette, packaged in a book-sized cardboard box, all copies hand-painted by Tim Benjamin with a green snakeskin pattern. We also went on tour with it as a trio, doing our 'Iörmungandur' in youth centres in provincial towns, for many hours in a stretch at the NL-Centrum on Amsterdam's Rozengracht, and at the Fabriek in Eindhoven.

Iörmungandur was a minimalist piece, a ritual, a rhythmic drone, sort of a pile driver, really, which in its abstract limit never started and never reach an end. It was an incantation, a war of attrition, an endless climax, a celestial assault.

At sea, on land and in the air.

Accompanying the cassette was a thin booklet, an A5-sized pamphlet, three double-sided photocopied A4 sheets held together with a staple. On its cover again that green snakeskin pattern of Tim's, and a quote from a yellowed schoolbook 'Greek Myths and Sagas' that once belonged to my father. Or maybe it was 'Of Gods and Heroes', I don't remember.

"Iörmungandur was a gigantic snake," it read, "cast into the world sea, where she blew out poisonous vapours, which in turn gave birth to countless serpent monsters. She was so enormous that she spanned the whole earth and could still bite her tail."

That mythical beast, that massive and untenable monster, that's how I saw it, that was the art, it was the music, and, like a pars-pro-toto, depicted life; the movements of that Midgard serpent partitioned into mathematically equal intervals, that was the very spit of time as it inexorably passed. In performing the Iörmungandur, we grappled with Music (indeed, with a capital 'M'), we unfolded life, and we struggled to tame, to harness, to curb the Time that passed.

The lion's share of the booklet accompanying the cassette was formed by a text written by Ronald. For those who wanted to see, beneath all of its simple imagery lay a darkly deep double bottom, expressing a creed, Ronald's profession of faith. It has always stayed with me as such.

Here is the, roughly, second half of the text. (A pdf copy of the booklet is part of the digital download of Iörmungandur on Bandcamp).



"I√ĖRMUNGANDUR", written by Ronald Heiloo.

...

¬ę [...]
There you sit, nestled in the shade. Just a moment ago things were different, the world still danced under the sun's warm embrace. Gazing up at the ever-shifting sky, you realize time's relentless march. Your head bows once more, lost in the sea of swaying grass. Yet, a sudden revelation strikes you‚ÄĒ the blades, once standing tall, now lie flat, enveloped by silent anticipation. With a spark of hope, you rise to your feet. Could she have moved, unnoticed? It seems scarcely believable. But, if indeed she moved once, she might move again. Hope intertwines with apprehension, causing you to retreat a few hesitant steps. Your curiosity demands satisfaction, propelling you forward, ignoring the discomfort of blistered feet. Where does this path lead, you wonder aloud, now that you feel you are at a safe distance. If you seek her favor, kindness must guide your steps, a realization that propels you onward with renewed determination. Emboldened, your voice grasps its tune, carried on the breeze as your outstretched arms reach for her. Sweet melodies echo against her form, a tender serenade to the object of your affection. Drunk with emotion, a blush paints your cheeks, for in this moment, you see her true beauty, a feverish love that consumes you entirely.
Would she lie in wait for you? She makes no move to leave. Is this a silent hint? Would she want to make love to you? You look aside. Would you actually want to make love to hér? Excitement gives way to doubt and takes you back to reality, which is harsh. Your last verses already sounded less certain, and now your chant chokes in your throat. The fire is extinguished, has never been kindled. Love is over, it never existed. It never moved and never have you been able to move it, because you have nothing to do with it.
That hurts.
You weep, shoulders hunched, your gaze at infinity, blurred by tears. Regrets weigh heavy upon you, each one a strand of sorrow plucked from the tangled web of your thoughts. You ponder, plucking at the strands of your hair, wondering if more have turned gray in the wake of your mistakes. Slowly, you awaken from your reverie. Moments ago, you basked in the sun's embrace, but now find yourself shrouded in shadow. A few metres onwards, you must have darted backwards from the shock, because the grass is crushed there and settles into a track. You turn around and see where you have just been. Along the monster's body, the grass is recovering from your endless march. Again you turn around. Just a bit more and the circle is complete, you realise.
You sit down.
Rather wait than walk down well-trodden paths.

[...] ¬Ľ

...

Ronald Heiloo, Amsterdam, 1984




tags: Ronald Heiloo, Young Lions, Hollandse Meesters, ULTRA

# .541.


« | »